Portret van een vooruitdenker: anders denken, betekent fundamenteel anders doen

Wim-Heerke Spronk is een vooruitdenker die de fundamenten durft te bevragen. Een ervaren marketingstrateeg en bestuurder die techniek, filosofie en menselijkheid moeiteloos verbindt. Als dienend leider richt hij zich niet op macht, maar op betekenis: systemen verbeteren zodat mensen kunnen floreren. Zijn denken is uitgesproken normatief, met rechtvaardigheid en bestaanszekerheid als vanzelfsprekende kernwaarden. Tegelijk is hij een systemisch denker pur sang, iemand die de samenhang der dingen ziet, van stikstof tot woningbouw, van ongelijkheid tot geluk. In een tijd waarin veel debatten verzanden in symptoombestrijding, schuift Spronk een ander kompas naar voren: welzijn centraal, en de moed om systemen opnieuw te ontwerpen.

Interessant? Deel het artikel

Foto: Ingmar Timmer
Foto: Ingmar Timmer

Ergens tussen de to-do-lijsten, de targets en de deadlines van het moderne leven is geluk iets geworden wat we proberen te plannen. We meten het in successen en status, in voltooide doelen en behaalde diploma’s. “Maar,” zegt Wim-Heerke Spronk, bestuurder in de bouw en oprichter van de beweging Geluk Centraal, “de vraag is of die vinkjes nog wel iets zeggen over wat werkelijk telt.”

In onder andere de podcast ‘Laten we groene vinkjes zetten’ roept Spronk op tot een radicaal andere manier van kijken: niet langer afvinken wat je hebt bereikt, maar bewust kiezen welke dingen het waard zijn om af te vinken. Groene vinkjes, noemt hij dat, symbolen van geluk, betekenis, duurzaamheid en verbondenheid. Die groene vinkjes zijn niet zomaar een aardige metafoor, maar de samenvatting van een bredere manier van kijken naar de samenleving.

In het Nederlandse debat over de woningnood duiken geregeld dezelfde trefwoorden op: prefab, modulair, circulair, biobased. Maar achter die woorden zitten mensen die proberen een log, traag systeem in beweging te krijgen. Een van de opvallendste daarvan is Wim-Heerke Spronk: bestuurder in de bouw, oprichter van een geluk-beweging, columnist, filmmaker en veelgevraagd spreker. Hij staat met één been in de fabriekshal tussen de houten modules, en met het andere in de wereld van politiek, filosofie en systeemkritiek.

Zijn loopbaan begint niet als ingenieur op de bouwplaats, maar in marketing, communicatie en leiderschap. Dat is belangrijk om te begrijpen wie hij is: Spronk is geen klassieke techneut, maar een strateeg die gewend is om verhalen te bouwen, merken te positioneren en verandering uit te leggen aan een breed publiek. Later verschuift zijn werkveld naar de bouw en duurzaamheid en groeit hij uit tot ondernemer en bestuurder in een sector die worstelt met verouderde processen, stikstofregels en een permanent woningtekort. Voor hem worden bouw, economie en geluk nooit losstaande domeinen, maar verschillende uitingen van hetzelfde onderliggende vraagstuk: hoe richten we systemen in die de mens en de planeet dienen?

Een eerste duidelijk ankerpunt in zijn biografie is zijn rol bij The Green Solution Group. Daar werkte hij als bestuurder aan circulaire houtsysteembouw: industrieel vervaardigde bouwsystemen die CO₂ reduceren en beter passen bij een circulaire economie dan traditioneel beton en staal. De kern van die periode is aantonen dat fabrieksmatig bouwen niet alleen sneller en goedkoper, maar óók duurzamer kan zijn. Het is de warming-up voor de rol waarin hij later landelijke bekendheid krijgt. Tegelijkertijd groeit bij hem het besef dat technische oplossingen op zichzelf onvoldoende zijn, zolang het systeem waarin ze moeten landen; vergunningen, regels, grondpolitiek, financiële prikkels, denkt en handelt alsof het nog 1970 is.

Parallel daaraan ontwikkelt hij zich steeds nadrukkelijker als publiek denker. Via lezingen als penallid, spreker of zelfs dagvoorzitter op congressen, waar hij centraal staat in de vraag ‘Is er nog ruimte voor niet-circulair bouwen?’, schuift hij op naar de rol van vooruitdenker over systeemverandering in de bouw. In plaats van alleen te praten over betere isolatie of lagere faalkosten, zet hij het fundament ter discussie: een bouwsysteem dat volgens hem is ontworpen voor een andere tijd en andere aannames, en daardoor structureel vastloopt op de uitdagingen van nu.

Geen dromer, maar een systemisch denker

Het is in diezelfde periode dat de contouren van Geluk Centraal zichtbaar worden. Spronk is geen dromer, maar een systemisch denker met ervaring in leiderschap, organisatieontwikkeling, politiek en maatschappelijk werk. Geluk Centraal begint met een eenvoudige constatering: onze samenleving is ingericht op groei, niet op welzijn. “Jarenlang hebben we welzijn gelijkgesteld aan welvaart,” zegt hij. “Maar als je kijkt naar de cijfers over stress, burn-outs, eenzaamheid en mentale gezondheid, dan kun je niet anders dan concluderen dat het systeem hapert. De mens is zoekgeraakt tussen de regels.” Zijn initiatief wil dat tij keren door geluk als uitgangspunt te nemen voor beleid, bestuur en bedrijfsvoering. Geluk niet als zweverig ideaal, maar als praktische maatstaf: hoe dragen onze systemen bij aan welzijn? Hoe meten we de kwaliteit van leven? Zolang we vooruitgang blijven meten in geld en groei, blijven welzijn en zingeving bijzaak.

Op de website van Geluk Centraal en andere media verschijnen inmiddels tientallen artikelen onder zijn naam. Daarin schuift hij het gesprek bewust weg van ‘welvaart’ naar ‘welzijn’ en ‘geluk’. Hij schrijft over de groeiende kloof tussen arm en rijk, over het toeslagenschandaal als symptoom van een ontspoord systeem, over het telkens weer rondpompen van geld via toeslagen in plaats van eenvoudige, structurele oplossingen, en over zijn concept van een maatschappelijk inkomen en maatschappelijke bijdrage als alternatief voor het huidige stelsel. In andere stukken gaat het over de kracht van boeren die voor de bouw kunnen produceren, over klimaat, landbouwgif, overshoot day, wonen, onderwijs, gezondheidszorg en zelfs schrijft hij een brief aan de ‘8 miljardste wereldburger’, waarin hij een morele en ecologische verantwoordelijkheid voor toekomstige generaties schetst. Steeds weer dringt hij aan op dezelfde vraag: voor wie werkt het systeem eigenlijk?

In mediaoptredens klinkt zijn stem kalm maar vastberaden. Hij spreekt over de noodzaak van wat hij een systeemverandering noemt. “We hebben structuren gebouwd die ooit logisch waren,” zegt hij. “Ons onderwijs, onze zorg, onze economie, allemaal ontworpen om te werken binnen een context van schaarste en competitie. Maar nu we weten dat samenwerking, duurzaamheid en verbondenheid minstens zo belangrijk zijn, moet ook het fundament mee veranderen.” Hij verzet zich tegen symptoombestrijding. Een kleine beleidsaanpassing hier, een subsidie daar, dat verandert het systeem niet wezenlijk. Wat nodig is, zegt hij, is herontwerp. “We moeten de vraag durven stellen: waarom doen we de dingen zoals we ze doen? En wie worden daar werkelijk beter van?” Toch is zijn boodschap niet moralistisch of veroordelend, maar uitnodigend: hij vraagt mensen om opnieuw te kijken naar hun kompas, naar de vinkjes die ze in hun leven zetten.

Daarin benadrukt hij steeds dat geluk geen individuele prestatie is. Het idee dat iedereen zijn eigen geluk moet ‘maken’, vindt hij misleidend en zelfs schadelijk. “Natuurlijk is persoonlijke verantwoordelijkheid belangrijk,” zegt hij, “maar geluk ontstaat altijd in relatie tot de wereld om je heen. Je kunt niet gelukkig zijn in een ongelukkige samenleving.” Daarmee keert hij zich tegen de neoliberale reflex die geluk reduceert tot zelfhulp. “We zeggen tegen mensen: wees veerkrachtig, denk positief, zorg goed voor jezelf. Maar als de context waarin ze leven, werkdruk, onzekerheid, ongelijkheid, dat onmogelijk maakt, dan leg je de schuld bij het individu. Geluk is óók een systeemvraag.” In zijn visie is geluk een collectief goed, iets wat groeit als we het delen. De waarde van een samenleving is voor hem niet af te lezen aan haar BNP, maar aan de mate waarin mensen zich veilig, gezien en verbonden voelen. “Het is tijd dat we geluk zien als een publieke verantwoordelijkheid,” zegt hij. “Net zo vanzelfsprekend als een dak boven je hoofd, gezondheid of onderwijs.”

Die normatieve kant zie je ook terug in zijn commentaren op de bouwsector. In zijn columns voor het vakblad Bouwwereld stelt hij bijvoorbeeld dat de stikstofcrisis in de kern geen boerenprobleem is, maar een bouwprobleem. Onze manier van bouwen, met beton en staal als ‘heilige huisjes’, zorgt structureel voor vervuiling en stikstofuitstoot; het uitkopen van boeren om ruimte te maken voor diezelfde vervuilende bouw noemt hij symptoombestrijding. Daar tegenover zet hij biobased en industrieel bouwen, waarbij boeren juist grondstoffen telen voor de bouw, hennep, vlas, stro, lisdodde. Het is precies de koppeling die hij bij Geluk Centraal al eerder maakte: boer en bouwer als partners in plaats van tegenpolen.

“Het laboratorium voor Spronk zijn ideeën”

De plek waar al deze ideeën samenkomen in harde praktijk, is Startblock. Dit bedrijf bouwt complete woningen in een fabriek, kant-en-klaar ingericht, speciaal voor één- en tweepersoonshuishoudens. De modules worden in enkele dagen in Emmeloord geproduceerd en vervolgens op een dieplader naar de bouwlocatie gereden, waar ze in een dag geplaatst kunnen worden. Sinds begin 2025 is Spronk algemeen directeur (CEO) van de Startblock Groep. Zijn ambitie is helder: de fabriek naar een productie van zo’n 500 woningen per jaar brengen en daarmee aantonen dat industrieel, duurzaam wonen op schaal mogelijk is, juist voor doelgroepen die nu vaak tussen wal en schip vallen. Voor hem is de fabriek geen doel op zich, maar een laboratorium waarin hij wil bewijzen dat de combinatie van snelheid, kwaliteit, duurzaamheid en betaalbaarheid wél kan bestaan.

De weerbarstige werkelijkheid

De werkelijkheid is weerbarstiger. In oktober 2025 wordt één van de belangrijkste onderdelen, de BV die de woningen daadwerkelijk bouwt, failliet verklaard. Spronk benadrukt in interviews dat hij gelooft in een doorstart, maar dat de sector in een wurggreep zit: fabrieken worden opgebouwd, mensen zijn aangenomen, en toch stokt de doorstroom van projecten. De reden is volgens hem niet dat industrieel bouwen niet werkt, maar dat procedures, vergunningen en grondpolitiek niet zijn ingericht op een productiesnelheid zoals in een fabriek. Waar een woning in zes dagen uit de fabriek kan rollen, kan de vergunning om hem neer te zetten jaren op zich laten wachten; dat businessmodel knapt op termijn onvermijdelijk. Precies die spanning wordt scherp zichtbaar in zijn bijdrage aan Nieuwsuur. In het item ‘Fabrieken voor prefabhuizen draaien slecht: ‘Doodzonde’ en de video ‘Ondanks woningnood staan ‘huizenfabrieken’ op omvallen’ schetst de redactie hoe modulaire woningbouw, die theoretisch sneller, schoner en met minder personeel kan bouwen, juist in ernstige problemen komt. Startblock is daarin het sprekende voorbeeld: een fabriek die complete huizen van twee verdiepingen produceert, die vervolgens worden gekanteld en op transport gaan. Spronk wordt in beeld gebracht als teleurgestelde, maar strijdvaardige directeur, die uitlegt hoe het woningtekort hun oorspronkelijke missie was, en hoe wrang het is dat juist de woningfabrieken dreigen om te vallen. Hij formuleert daar de kern van zijn systeemkritiek in één zin: “een woning in zes dagen bouwen, maar jaren wachten op een vergunning, matcht niet met elkaar”. De uitzending maakt voor een breder publiek voelbaar wat hij in zijn columns en opinies al langer opschrijft: technologische oplossingen bestaan, maar het systeem waarin ze moeten landen, is nog ontworpen voor een andere tijd.

Kijk je over al deze rollen heen, directeur bij Startblock, pionier in circulair bouwen, initiatiefnemer van Geluk Centraal, columnist, spreker, dan tekenen zich een aantal vaste elementen in zijn leiderschapsstijl af. Spronk is in de eerste plaats een systeemdenker. In artikelen bij Geluk Centraal visualiseert hij letterlijk ‘de samenhang der dingen’: hoe klimaat, voedsel, energie, mobiliteit, ongelijkheid en woningnood met elkaar zijn verknoopt. Hij reduceert problemen zelden tot één sector, maar maakt patronen zichtbaar: een toeslagenaffaire is geen incident, maar een logisch resultaat van een systeem dat complexiteit stapelt; een stikstofcrisis is geen landbouwprobleem, maar een bouwprobleem; woningnood is niet alleen een kwestie van ‘bouwen, bouwen, bouwen’, maar ook van grondpolitiek, vergunningen en demografie.

Uitgesproken normatief met rechtvaardigheid als kernwaarde

Daarnaast is hij uitgesproken normatief. Waar sommige bestuurders hun taal strak bij ‘businesscases’ en ‘stakeholders’ houden, schrijft Spronk over rechtvaardigheid, bestaanszekerheid, gelijke kansen en geluk als fundament. In stukken over ongelijkheid en ‘parasietenkapitalisme’ valt op hoe scherp hij de morele kant benoemt: niet alleen of een maatregel werkt, maar of hij eerlijk is. Die morele taal neemt hij mee de bouw in: wanneer hij zegt dat het absurd is om miljarden te steken in het uitkopen van boeren zonder het bouwsysteem zelf te veranderen, is dat tegelijk een beleidsanalyse én een moreel oordeel. Tegelijkertijd is zijn boodschap niet activistisch in de zin van alleen maar tegen zijn, maar ook diep menselijk. Hij spreekt vaak over ‘de kracht van binnenuit’: het vermogen en talenten van mensen om zich bewust te verhouden tot hun omstandigheden. Hij vergelijkt het met stromend water dat zijn weg zoekt tussen stenen in een bergbeek. “We kunnen de obstakels niet wegnemen,” zegt hij, “maar we kunnen wel leren meebewegen, zonder de stroom te verliezen.” Geluk is in zijn ogen geen eindstation, maar een richtingaanwijzer, een kompas dat ons helpt keuzes te maken. Wie dat kompas kwijt is, raakt gevangen in de afvinkmaatschappij: het voortdurende gevoel dat je iets moet behalen om ertoe te doen.

“De samenhang der dingen”

Een van de terugkerende thema’s in zijn artikelen en mediaoptredens is tijd. In Spronks ogen is tijd de nieuwe ongelijkheid. Mensen met ruimte en rust hebben de luxe om te reflecteren en te groeien; anderen leven in een constante overlevingsmodus. “We zijn zo gewend geraakt aan haast,” zegt hij. “We vullen elke minuut, alsof leegte iets is wat we moeten vermijden. Maar geluk heeft juist leegte nodig, tijd om te ademen, om stil te staan.” Hij ziet het gebrek aan tijd als een van de grootste bedreigingen voor welzijn. “Als we onze dagen volproppen met werk, scrollen en presteren, dan verliezen we de capaciteit tot aandacht. En zonder aandacht verdwijnt betekenis.” Zijn pleidooi is simpel: maak ruimte voor wat er echt toe doet. Niet door nóg meer te plannen, maar door te durven niets te doen. “Rust is geen luxe,” zegt hij. “Het is een voorwaarde voor menselijkheid.”

De eerder benoemde ‘groene vinkjes’ in de podcast zijn meer dan een woordgrap. Ze staan symbool voor een andere manier van waarderen. In plaats van vinkjes achter prestaties te zetten, diploma’s, promoties, bezittingen, nodigt Spronk uit om te kijken naar wat werkelijk waardevol is. Voel ik me verbonden met anderen? Draag ik iets bij dat ertoe doet? Ben ik trouw aan mezelf? Het zijn vragen die niet in cijfers passen, maar wel bepalen of we gelukkig zijn. Hij stelt voor om die groene vinkjes te gebruiken als een nieuw soort checklist, niet om te oordelen, maar om bewust te leven. Een organisatie kan zich afvragen of haar keuzes mensen gelukkiger of ongelukkiger maken. Een gemeente kan onderzoeken of inwoners zich veilig en gehoord voelen. En individuen kunnen zichzelf vragen: wat is vandaag mijn groene vinkje?

Samen met de verenigde vooruitdenkers en wetenschappers van Geluk Centraal probeert hij deze ideeën concreet te maken. De vereniging werkt samen met overheden, bedrijven en onderwijsinstellingen om geluk als beleidsdoel te integreren. Dat gebeurt via een inspiratieplatform, gesprekken en meetinstrumenten die verder gaan dan traditionele economische indicatoren. Het doel is ambitieus maar helder: een samenleving waarin beleid, economie en cultuur worden getoetst aan hun bijdrage aan menselijk welzijn. Spronk verwijst naar internationale voorbeelden zoals Nieuw-Zeeland, dat een Wellbeing Budget hanteert, en Bhutan, dat al decennia het Bruto Nationaal Geluk meet. “Die landen laten zien dat het kan,” zegt hij. “Geluk is niet vaag. Je kunt het onderzoeken, bespreken en er beleid op voeren.”

De leiderschapsstijl van een systeemdenker

Binnen het landschap van bouwinnovators in Nederland is hij tegelijk herkenbaar en afwijkend. Neem bijvoorbeeld Thomas Rau, de architect die met RAU en Turntoo internationale bekendheid kreeg als voorloper in circulaire architectuur. Rau’s innovaties, zoals het materialenpaspoort en businessmodellen als ‘Light as a Service’, richten zich op gebouwen als grondstoffenbanken en op een economie waarin afval niet meer bestaat. Zijn motto ‘doen wat nodig is, niet wat haalbaar is’ ligt inhoudelijk dicht bij Spronks systeemkritiek, maar zijn speelveld is anders: hij beïnvloedt vooral opdrachtgevers, ontwerpers en denkers via architectuur, boeken en lezingen. Waar Rau het gebouw als systeem centraal zet, zet Spronk de fabriek, de woningketen en de samenleving centraal, en koppelt die direct aan politiek en sociale vraagstukken zoals bestaanszekerheid.

Kijk je naar partijen als Van Wijnen met Fijn Wonen, dan zie je weer een ander type innovator. Van Wijnen investeert zwaar in een woningfabriek in Heerenveen, waar met behulp van robottechnologie industrieel wordt gebouwd. De belofte: woningen van bewezen kwaliteit, een hoge mate van standaardisatie, lagere kosten, een korte bouwtijd en een transparant prijsmodel. Het narratief is hier dat van de grote bouwonderneming die industrialisatie omarmt als antwoord op woningnood en personeelstekort. Het bedrijf lobbyt uiteraard ook voor betere randvoorwaarden, maar positioneert zich primair als betrouwbare leverancier binnen het bestaande systeem. Spronk daarentegen gebruikt zijn positie bij Startblock om expliciet dat systeem zelf ter discussie te stellen, tot en met de stelling dat zonder ingrijpende herziening van vergunningenbeleid geen enkele woningfabriek in Nederland het volhoudt.

Nog weer een ander type innovator vind je bij spelers als Daiwa of het jongere Tala. Daiwa is een internationale modulaire bouwer die inzet op snelheid, flexibiliteit en hergebruik, in sectoren variërend van zorg tot tijdelijke huisvesting. Tala richt zich op biobased, modulaire woningen van hout, tot 90 procent biobased, die in eigen fabriek worden gemaakt en in één dag op locatie worden opgebouwd. Tala’s communicatie draait sterk om product en klimaatimpact: gezonde, houten woningen, lage CO₂-footprint, nominaties voor houtbouwprijzen. Spronk beweegt zich inhoudelijk dicht bij dit biobased denken, in zijn column in het vakblad Bouwwereld pleit hij nadrukkelijk voor biobased bouwen en ziet hij boeren als leveranciers van bouwmaterialen, maar het accent in zijn leiderschap ligt minder op één productformule en meer op het verbinden van sectoren: boer, bouwer, bewoner, politiek en bestuur in één verhaal.

“Wat maakt Spronk uniek?”

Dat alles maakt dat Wim-Heerke Spronk in het landschap van bouwinnovators tegelijk herkenbaar en afwijkend is. Herkenbaar in zijn geloof in industrialisatie, modulaire concepten en circulaire, biobased materialen; afwijkend in de breedte van zijn agenda. Waar veel innovators zich vooral richten op techniek, architectuur of businessmodellen, schuift hij expliciet geluk, gelijkheid en systeemverandering op tafel. In de uitzending van Nieuwsuur over wankelende huizenfabrieken laat dat misschien wel het duidelijkst zien: in plaats van een defensieve directeur die een faillissement probeert glad te strijken, zie je iemand die de camera gebruikt om een principiële boodschap af te geven over hoe Nederland zijn woningnood wil oplossen, of juist niet.

Of hij in staat zal zijn om die visie ook duurzaam in houten betaalbare woningen en beleidswijzigingen om te zetten, is nog geen uitgemaakte zaak. Startblock bevindt zich in zwaar weer, de woningbouwafspraken worden niet gehaald en de vergunningenpraktijk verandert langzaam. Maar wie zijn columns, publicaties en mediaoptredens naast elkaar legt, ziet in elk geval één consistent profiel: een strategisch vooruitdenker die weigert de woningcrisis als puur technisch of financieel vraagstuk te beschouwen, en die vanuit de fabriekshal van een prefab-bouwer probeert te morrelen aan de fundamenten van ‘de BV Nederland’. Aan het eind van één van zijn mediaoptredens vat hij zijn missie samen in één zin: “Geluk is geen eindpunt, maar een richting.” Misschien is dat de kern van zijn groene vinkjes: niet stoppen met afvinken, maar eindelijk gaan afvinken wat er werkelijk toe doet.

“Het leven is geen generale repetitie”, aldus vooruitdenker Wim-Heerke Spronk.

Interessant? Deel het artikel

Blijf op de hoogte

Abonneer je op onze nieuwsbrief zodat we je geregeld op de hoogte kunnen houden.
Wat zouden we het leuk vinden als je ons ook een mail stuurt met waar jij gelukkig van wordt.

Meer over

Blijf op de hoogte

Abonneer je op onze nieuwsbrief zodat we je geregeld op de hoogte kunnen houden. Wat zouden we het leuk vinden als je ons ook een mail stuurt met waar jij gelukkig van wordt.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *