Een nieuwe naam verandert niets aan een failliet politiek systeem

De afgelopen weken heb ik met belangstelling gekeken naar de ontwikkelingen rondom PRO, de nieuwe naam van de fusie tussen PvdA en GroenLinks. Zoals bij iedere nieuwe politieke beweging wordt er gesproken over vernieuwing, nieuwe energie, nieuwe ideeën en een nieuwe koers. Dat is op zichzelf positief.

Interessant? Deel het artikel

Foto: Ingmar Timmer | Wim-Heerke Spronk
Foto: Ingmar Timmer | Wim-Heerke Spronk

Nederland heeft echter geen behoefte aan een nieuwe naam, maar aan mensen die bereid zijn bestaande structuren ter discussie te stellen. Mensen die verder kijken dan de dagelijkse politieke strijd en zich afvragen hoe we ons land beter kunnen organiseren.

Toch bekruipt mij tegelijkertijd een gevoel van déjà vu. Want hoe vaak hebben we dit inmiddels niet meegemaakt? Een nieuwe partij. Een nieuwe leider. Een nieuwe naam. Een nieuwe belofte. Iedere keer opnieuw ontstaat de verwachting dat nu eindelijk de verandering zal komen waar zoveel mensen naar verlangen. Iedere keer opnieuw geloven mensen dat deze beweging anders zal zijn dan haar voorgangers. En iedere keer opnieuw blijkt na verloop van tijd dat de fundamentele problemen niet zijn verdwenen. Dat is ook niet zo vreemd. Want de meeste politieke vernieuwingsbewegingen richten zich uiteindelijk op de spelers binnen het systeem, terwijl het werkelijke probleem het systeem zelf is. Nederland verkeert naar mijn overtuiging niet in een politieke crisis omdat er te weinig goede bestuurders zijn. Nederland verkeert in een bestuurlijke crisis omdat het politieke systeem niet meer aansluit op de samenleving die het moet besturen. Daarom is voor mij de belangrijkste vraag rond PRO niet of de naam verandert of welke politieke kleur de beweging uiteindelijk kiest. De werkelijke vraag is of Progressief Nederland (PRO) bereid is de fundamenten van ons huidige politieke systeem ter discussie te stellen. Want als dat niet gebeurt, verandert er uiteindelijk weinig.

We noemen Nederland een democratie. Iedere vier jaar mogen burgers stemmen. Politieke partijen schrijven verkiezingsprogramma’s, trekken het land door, voeren campagne en presenteren oplossingen voor de vraagstukken die spelen. Dat klinkt logisch en vertrouwd. Maar wie eerlijk kijkt naar wat er na verkiezingen gebeurt, ziet iets heel anders. Mensen stemmen op een partijprogramma. Vervolgens verdwijnen die programma’s achter de gesloten deuren van coalitieonderhandelingen. Daar worden compromissen gesloten waar geen enkele kiezer rechtstreeks voor heeft gestemd. Uiteindelijk ontstaat een regeerakkoord dat vaak nog maar gedeeltelijk lijkt op de plannen waarmee partijen campagne voerden. De burger mag stemmen op het menu, maar krijgt uiteindelijk een gerecht geserveerd dat door anderen is samengesteld. Dat verklaart voor een belangrijk deel waarom zoveel mensen zich niet meer vertegenwoordigd voelen. Niet omdat zij tegen democratie zijn, maar omdat zij ervaren dat hun stem steeds minder invloed heeft op de uiteindelijke besluitvorming. En eerlijk gezegd begrijp ik dat gevoel steeds beter.

“Het probleem zit niet bij de politici, maar in het systeem”

Het partijenstelsel waarin wij vandaag leven is ontworpen in een tijd waarin Nederland er totaal anders uitzag. Katholieken stemden katholiek, socialisten stemden socialistisch en liberalen stemden liberaal. De samenleving was overzichtelijk en georganiseerd in zuilen. Politieke partijen vertegenwoordigden die verschillende groepen en vormden daarmee een logische vertaling van de maatschappelijke werkelijkheid. Maar die samenleving bestaat niet meer. De moderne burger laat zich niet meer vangen in één ideologische richting. Mensen denken veel genuanceerder dan politieke partijen suggereren. Zij combineren overtuigingen die vroeger bij verschillende politieke stromingen hoorden. Iemand kan voor ondernemerschap zijn en tegelijkertijd vinden dat de overheid een sterke rol moet spelen in zorg en onderwijs. Men kan duurzaamheid belangrijk vinden en tegelijkertijd economische groei ondersteunen. Mensen denken niet in partijprogramma’s. Mensen denken vanuit hun dagelijks leven. Toch vraagt ons politieke systeem nog steeds om één hokje rood te kleuren en vervolgens vier jaar lang te accepteren dat anderen namens ons beslissingen nemen. Het gevolg is dat steeds meer mensen zich slechts gedeeltelijk herkennen in partijen die geacht worden hen te vertegenwoordigen. Partijen vertegenwoordigen daardoor steeds minder de samenleving en steeds meer hun eigen organisatie, hun eigen electorale belangen en hun eigen positie binnen het politieke speelveld.

Wat mij al jaren verbaast, is dat het grootste bestuurlijke probleem van Nederland nauwelijks onderwerp van discussie is. We hebben een systeem gecreëerd dat bestuurlijk steeds ingewikkelder is geworden en tegelijkertijd steeds minder effectief functioneert. Nederland wordt bestuurd op verschillende niveaus. Gemeenten maken hun eigen afwegingen. Provincies bepalen hun eigen koers. Waterschappen hebben hun eigen verantwoordelijkheden. Daarnaast hebben we de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. Op al deze niveaus kunnen compleet verschillende politieke verhoudingen ontstaan. Dat klinkt op papier als een gezonde democratische controle. In werkelijkheid leidt het steeds vaker tot bestuurlijke verlamming. Een kabinet kan beschikken over een meerderheid in de Tweede Kamer, maar tegelijkertijd afhankelijk zijn van partijen in de Eerste Kamer die geen deel uitmaken van de coalitie. Provincies kunnen bestuurd worden door politieke combinaties die landelijk lijnrecht tegenover elkaar staan. Gemeenten kunnen andere prioriteiten stellen dan het Rijk. Hierdoor ontstaat een situatie waarin vrijwel ieder belangrijk besluit door een ingewikkeld netwerk van politieke belangen moet manoeuvreren voordat het daadwerkelijk uitgevoerd kan worden. Wat ooit bedoeld was als een systeem van checks and balances is in de praktijk steeds vaker een systeem van blokkades en vertragingen geworden.

De Eerste Kamer vormt daarvan misschien wel het duidelijkste voorbeeld. Oorspronkelijk was deze bedoeld als een reflectiekamer die wetgeving toetst op kwaliteit, uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid. Dat was een verstandig uitgangspunt. Maar wie de praktijk volgt, ziet dat de Eerste Kamer allang niet meer uitsluitend een technische toetsingskamer is. Zij is uitgegroeid tot een politiek machtscentrum dat mede bepaalt welke wetten wel en niet doorgaan. Daardoor ontstaat een merkwaardige situatie. Nederland kiest een Tweede Kamer. Een kabinet wordt gevormd. Er wordt beleid ontwikkeld. Maar vervolgens kan datzelfde beleid alsnog stranden omdat elders in het systeem een andere politieke meerderheid bestaat. Niet omdat de wet slecht is. Niet omdat de uitvoering onmogelijk is. Maar omdat politieke belangen anders liggen. Dat is bestuurlijk inefficiënt. Sterker nog, ik ben ervan overtuigd dat dit een van de belangrijkste oorzaken is van de stilstand die Nederland op zoveel dossiers kent.

“Nederland heeft geen leiderschapscrisis, maar een bestuurscrisis”

Misschien nog fundamenteler is de vraag of verkiezingen in hun huidige vorm nog bijdragen aan goed bestuur. Dat klinkt voor sommigen bijna als heiligschennis, maar laten we eerlijk zijn. De grote vraagstukken van deze tijd laten zich niet oplossen binnen één kabinetsperiode. Woningbouw vraagt een visie van tientallen jaren. Onderwijsvernieuwing heeft een generatie nodig voordat resultaten zichtbaar worden. Klimaatbeleid vraagt continuïteit. Hetzelfde geldt voor zorg, energie, infrastructuur en vrijwel alle andere grote maatschappelijke uitdagingen. Toch worden politici afgerekend op resultaten binnen vier jaar. Daardoor ontstaat een voortdurende spanning tussen wat goed is voor de volgende generatie en wat goed is voor de volgende verkiezingen. Die spanning zie je overal terug. Moeilijke besluiten worden uitgesteld. Lange termijnvisies verdwijnen naar de achtergrond. Politieke partijen richten zich op zichtbare successen voor de korte termijn. Niet omdat politici slechte mensen zijn, maar omdat het systeem hen daarvoor beloont.

Zoals ik de afgelopen jaren in diverse media al vaker heb geschreven, ontstaan veel van de crises die wij vandaag ervaren doordat onze bestuurlijke systemen voortdurend kortetermijngedrag stimuleren, terwijl de oplossingen juist vragen om langetermijndenken. Dat zie je terug in de woningmarkt, in het onderwijs, in de zorg en in vrijwel ieder maatschappelijk dossier dat al jarenlang om een structurele oplossing vraagt. Steeds vaker hoor ik mensen zeggen dat Nederland een leiderschapsprobleem heeft. Dat geloof ik niet. Ik ontmoet dagelijks mensen met kennis, visie, betrokkenheid en verantwoordelijkheidsgevoel. In het bedrijfsleven, in de wetenschap, in het onderwijs, in de zorg, bij maatschappelijke organisaties en binnen de overheid zelf. Het probleem is niet dat we geen goede mensen hebben. Het probleem is dat we een systeem hebben gebouwd waarin partijpolitiek, verkiezingsdruk en bestuurlijke versnippering vaak belangrijker zijn geworden dan het vinden van oplossingen. Daarom geloof ik dat het tijd wordt om niet alleen naar de spelers te kijken, maar vooral naar de spelregels.

Samen met de verenigde vooruitdenkers en wetenschappers van Geluk Centraal komen we regelmatig met mogelijke alternatieven en schrijf ik hier over. Niet omdat ik alle antwoorden heb, maar omdat ik ervan overtuigd ben dat het huidige systeem zijn grenzen heeft bereikt. Een van die ideeën is de invoering van een Derde Kamer. Niet als extra bestuurslaag, maar juist als een nieuwe vorm van volksvertegenwoordiging waarin gelote burgers een representatieve afspiegeling vormen van de Nederlandse samenleving. Mensen zonder partijbelang. Mensen die niet bezig zijn met herverkiezing. Mensen die niet afhankelijk zijn van peilingen of coalitieafspraken. Mensen die simpelweg de opdracht krijgen om na te denken over wat goed is voor Nederland. Internationale ervaringen met burgerberaden laten zien dat gewone burgers, wanneer zij goed worden geïnformeerd en ondersteund door deskundigen, uitstekend in staat zijn om tot afgewogen besluiten te komen. Vaak zelfs beter dan beroepspolitici, juist omdat zij geen electorale agenda hebben. Daardoor ontstaat ruimte voor oplossingen die verder kijken dan de volgende verkiezingen.

“Echte vernieuwing begint pas wanneer we het systeem durven veranderen”

Daarnaast pleit ik al jaren voor een andere bestuurscultuur. Niet macht centraal, maar dienend leiderschap. Niet politieke carrièrevorming, maar maatschappelijke verantwoordelijkheid. Bestuurders die worden geselecteerd op deskundigheid, ervaring, integriteit en het vermogen om resultaten te realiseren. Niet omdat zij de beste campagne kunnen voeren, maar omdat zij in staat zijn om complexe maatschappelijke vraagstukken op te lossen. Ook het idee van een maatschappelijk inkomen komt voort uit dezelfde filosofie. Een samenleving die uitgaat van vertrouwen in plaats van wantrouwen. Een systeem dat eenvoudiger, menselijker en rechtvaardiger is dan het huidige woud aan toeslagen, uitkeringen, controles en bureaucratische procedures. Achter dat voorstel zit een fundamentele overtuiging: de meeste mensen willen bijdragen aan de samenleving wanneer zij daarvoor de ruimte, zekerheid en het vertrouwen krijgen.

Uiteindelijk draait alles om dezelfde vraag. Wat is eigenlijk het doel van onze samenleving? Is dat economische groei? Is dat politieke macht? Is dat het in stand houden van bestaande systemen? Of gaat het uiteindelijk om het welzijn van mensen? Voor mij is dat antwoord helder. Een samenleving zou in de eerste plaats moeten bijdragen aan gezondheid, gelijke kansen, bestaanszekerheid, verbondenheid, een gezonde leefomgeving en het geluk van mensen. Economie is daarbij belangrijk, maar economie moet weer een middel worden en niet het doel. Politiek moet een instrument zijn om maatschappelijke doelen te bereiken en niet een doel op zichzelf.

Ik kijk dan ook met interesse naar PRO. Niet omdat een nieuwe naam mij enthousiast maakt. Niet omdat een nieuwe partij automatisch de oplossing is. Maar omdat iedere nieuwe beweging de kans heeft om een fundamentele discussie te openen over de toekomst van onze democratie. De vraag is alleen of die discussie ook werkelijk gevoerd gaat worden. Gaat het opnieuw over andere gezichten, nieuwe slogans en nieuwe verkiezingscampagnes? Of gaat het eindelijk over de vraag of het huidige systeem nog geschikt is voor de uitdagingen van deze tijd? Want uiteindelijk geloof ik dat Nederland niet vastloopt door gebrek aan goede mensen. Nederland loopt vast omdat wij de problemen van de eenentwintigste eeuw proberen op te lossen met een bestuurlijk systeem dat grotendeels is ontworpen voor de negentiende eeuw.

Je kunt een partij een nieuwe naam geven. Je kunt een nieuw logo ontwerpen. Je kunt nieuwe leiders presenteren. Je kunt nieuwe campagnes voeren. Maar zolang het fundament niet verandert, blijven dezelfde problemen terugkomen. Daarom gaat de discussie voor mij niet over PRO. De discussie gaat over de vraag of wij eindelijk de moed hebben om te erkennen dat het huidige partijenstelsel zijn houdbaarheidsdatum heeft bereikt. Of wij bereid zijn na te denken over een nieuwe democratische bestuursvorm waarin burgers, deskundigheid, maatschappelijke verantwoordelijkheid en langetermijnwelzijn centraal staan.

Pas dan begint echte vernieuwing. En pas dan ontstaat er een reële kans om Nederland niet alleen anders te besturen, maar daadwerkelijk verder te brengen.

Interessant? Deel het artikel

Blijf op de hoogte

Abonneer je op onze nieuwsbrief zodat we je geregeld op de hoogte kunnen houden.
Wat zouden we het leuk vinden als je ons ook een mail stuurt met waar jij gelukkig van wordt.

Meer over

Blijf op de hoogte

Abonneer je op onze nieuwsbrief zodat we je geregeld op de hoogte kunnen houden. Wat zouden we het leuk vinden als je ons ook een mail stuurt met waar jij gelukkig van wordt.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *