De woningnood waar we nu middenin zitten, vraagt om snelheid, schaal en betaalbaarheid. In de praktijk betekent dat dat we anders moeten bouwen. Niet iets slimmer binnen hetzelfde systeem, maar fundamenteel anders georganiseerd. Modulaire en industriële woningbouw bieden daarvoor alles wat nodig is: kortere bouwtijden, lagere kosten, minder arbeidsuren op de bouwplaats en veel betere mogelijkheden voor duurzaam en circulair bouwen. Toch staan in Nederland woningfabrieken stil. Sterker nog, ze vallen om. Niet omdat de markt ontbreekt of het product niet volwassen is, maar omdat het systeem faalt.
Wim-Heerke Spronk stelt: “Woningfabrieken hebben een stabiele orderstroom nodig, herhaalbare woningtypen en voorspelbare besluitvorming. In Nederland is het tegenovergestelde de norm.” Projecten zijn klein, versnipperd en telkens weer maatwerk. Procedures duren jaren, regels verschillen per gemeente en politieke keuzes veranderen halverwege het proces. Voor een fabriek is dat dodelijk. Zonder schaal geen kostprijsvoordeel, zonder zekerheid geen investeringsruimte. Het gevolg is stilstand, faillissementen en verloren kennis. Daar komt bij dat Nederland simpelweg niet is ingericht op de woonvraag van vandaag. De grootste groei zit bij één- en tweepersoonshuishoudens, maar ons woningbeleid blijft grotendeels gericht op het klassieke gezinsmodel. Betaalbaar klein wonen krijgt nauwelijks structurele ruimte. In Duitsland wordt dit veel helderder benoemd en geadresseerd onder de noemer ‘Kleines Wohnen’: compacte, goed ontworpen woningen die betaalbaar zijn in huur en exploitatie. Dat is geen compromis, maar een bewuste keuze.
“Woningfabrieken draaien op continuïteit en volume”
De Duitse overheid heeft begrepen dat dit niet kan binnen het bestaande systeem. Met de invoering van bijvoorbeeld de ‘Bau-Turbo’ wordt daadwerkelijk ingegrepen. Bestemmingsplannen worden flexibeler, vergunningstrajecten drastisch verkort en als een aanvraag niet binnen drie maanden wordt beoordeeld, geldt deze automatisch als goedgekeurd. Dat is geen detail, dat is een fundamentele systeemwijziging. Het creëert ruimte voor industriële productie, voor schaal en voor snelheid. Bijvoorbeeld in de deelstaat Nord Rheinwestfalen (NRW) en steden als Berlijn en München zie ik hoe dit uitwerkt. Steden als Münster verbieden zelfs de bouw van familiewoningen. De Duitsers zetten vol in op verdichting, optoppen en grootschalige nieuwbouw aan de randen van de stad. Houten, modulaire woningen worden elders geproduceerd en ter plekke gemonteerd. Appartementen voor één- en tweepersoonshuishoudens worden toegevoegd boven supermarkten, op restlocaties en op plekken waar dat voorheen planologisch onmogelijk was. Niet als pilot, maar als serieuze productieaanpak, als gevolg van beleid.
“Industriële productie doet precies het tegenovergestelde”
In Nederland ontbreekt die durf. De wil om het systeem echt te veranderen is beperkt en de tegenkrachten zijn groot. De lobby van de traditionele bouw en de betonindustrie is diep verankerd in ons beleid, regelgeving en aanbestedingen. Innovatie wordt omarmd zolang deze past binnen het bestaande verdienmodel. Zodra industriële bouw echt schaal en marktaandeel dreigt te krijgen, loopt het vast op regels, uitzonderingen en vertraging. Dat is extra problematisch in een tijd van structureel personeelstekort. De bouw kampt met een groeiend gebrek aan vakmensen, terwijl de politieke ambitie van 100.000 woningen per jaar lang niet kan worden gehaald. Zonder woningfabrieken is dit überhaupt niet haalbaar. En zeker niet betaalbaar, duurzaam en circulair. Traditioneel bouwen vraagt veel vakkennis, arbeidskrachten en transportbewegingen op de bouwplaats, kent hoge faalkosten en biedt nauwelijks ruimte voor echte circulariteit. Industriële productie doet precies het tegenovergestelde.
“Zonder een rigoureuze systeemverandering gaat het in Nederland niet gebeuren”, aldus Spronk. Niet met kleine procesverbeteringen, niet met tijdelijke subsidies en niet met goedbedoelde pilots. Wat nodig is, is een fundamentele keuze: grootschalige programma’s, langjarige afnamegaranties, landelijke standaardisatie en ruimte voor industriële productie. Pas dan kunnen fabrieken draaien, kosten dalen en woningen betaalbaar worden.
Spronk: “Mijn conclusie is daarom helder en misschien ongemakkelijk. De grootste kansen voor modulaire en industriële woningbouw liggen op dit moment niet in Nederland, maar in Duitsland. Niet omdat de urgentie daar groter is, maar omdat men daar bereid is de woonvraag leidend te maken en het systeem daarop aan te passen. ‘Kleines Wohnen’ is daar geen bijzaak, maar een strategisch antwoord op de realiteit. Zolang Nederland die keuze niet durft te maken, zullen we blijven praten over oplossingen, terwijl de echte verandering elders plaatsvindt.”



